Het gezin van Otto von Ende (66) uit Leeuwarden kwam na een periode van oorlog, dwangarbeid en kampen naar Friesland: ‘Er werd thuis nooit over gesproken’

Het gezin van Otto von Ende (66) uit Leeuwarden kwam na een periode van oorlog, dwangarbeid en kampen naar Friesland: ‘Er werd thuis nooit over gesproken’
Het laatste moment van de familie von Ende in Indonesië op het dek van de Sibajak, 11 mei 1959 foto: Otto von Ende

Tussen 1945 en 1968 kwamen meer dan 300.000 mensen vanuit Indonesië naar Nederland. Voor veel Indische Leeuwarders bleef hun migratiegeschiedenis een beladen onderwerp. Ook bij Otto von Ende (66) thuis werd hierover niet gesproken. Op latere leeftijd ging hij op onderzoek uit om achter het waardevolle verhaal van zijn familie te komen. Een jarenoude koffer van zijn ouders bleek daarbij de sleutel tot dit verborgen verleden. 

Otto von Ende werd begin september 1959 aan de Westersingel in Leeuwarden geboren. Zijn ouders Karel en Marie kwamen samen met zijn broers en zussen een aantal maanden daarvoor met het schip de Sibajak naar Nederland. Het gezin kwam eerst aan in de haven van Rotterdam en vertrok daarna naar Leeuwarden. 

Flinke schuld
De Friese hoofdstad is niet de plek waar de ouders van Otto op hoopten. Zo moest het gezin in Friesland helemaal opnieuw beginnen. ‘‘Ze werden het land uitgekegeld en kwamen met niks in Nederland aan,’’ vertelt von Ende. 

Het gezin verbleef in het begin negen dagen in contractpension Goes aan de Lange Marktstraat. Hierna werden ze door omstandigheden opgevangen aan de bovenverdieping van een woning aan de Westersingel.  

Begin 1960 kregen de ouders van Otto een woning in de Schepenbuurt. De familie bouwde volgens Von Ende een schuld op van ongeveer 40.000 gulden. ‘‘Een gedeelte van de overtocht, de woning en de tijd in het pension moest betaald worden. In die periode was het dikke armoede voor mijn ouders.’’ 

Daarnaast bestond de Schepenbuurt in die tijd voor 70% uit Indische gezinnen. ‘‘Je ging met elkaar om en had dezelfde cultuur.’’ 

Grote verschillen heeft von Ende niet echt ervaren. Het gezin ging naar Nederlandse scholen en sprak thuis ook alleen maar Nederlands. 

Noodklok
De Leeuwarder schrijver Henk de Vries schreef een boek over de Indische gemeenschap die tussen 1945 en 1968 naar Friesland kwam. ‘‘Ik ben geïnteresseerd in de Indische en Indonesische geschiedenis. De archieven brachten mij nieuwe feiten. Ik was benieuwd naar hoe de opvang in Friesland plaatsvond.’’ 

Ook kreeg De Vries enkele bijzondere verhalen te horen na een lezing over dit onderwerp. Door de contacten die de auteur opdeed, schreef hij veel persoonlijke verhalen op. Dit resulteerde uiteindelijk in het boek Was Friesland het beloofde land’.  

Volgens de schrijver was de opvang van Indische gezinnen in Friesland geen onverwachte keuze. ‘‘In de grote steden werd de noodklok geluid door de enorme woningnood. Toen werd gezegd: waarom gaan ze niet naar Friesland? Daar is meer ruimte en frisse lucht.’’ 

Veerkacht
In Leeuwarden waren in totaal drie contractpensions verdeeld over vijf panden. De pensiongasten zaten vaak met veel mensen op één kamer. 

We moeten volgens De Vries bereid zijn om vluchtelingen altijd hulp te bieden. Hij benadrukt dat we altijd open moeten staan voor mensen die op de vlucht zijn. 

Bovendien bewondert de auteur de taaiheid van de Indische gemeenschap. ´Ik heb respect voor de veerkracht van de vele mensen die hiernaartoe kwamen´´ 

Krijgsgevangene
Binnen Indische gezinnen werd de Tweede Wereldoorlog en het uiteindelijke vertrek nauwelijks besproken. ‘‘Het was een beladen onderwerp. Er werd thuis nooit over gesproken.’’  

Otto’s vader diende bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanners gevangengenomen. De vader van Otto heeft meer dan drie jaar in een Japans krijgsgevangenenkamp gezeten. 

‘Mijn vader heeft nooit over de kamptijd gesproken.’

Koffer
Volgens Von Ende begon hij zich pas op latere leeftijd in zijn familiegeschiedenis te verdiepen. Een oude koffer die zijn vader meenam vanuit Indonesië naar Nederland bleek hierin verandering te brengen. ‘‘In de koffer zaten brieven die mijn vader schreef aan mijn moeder toen zij in krijgsgevangenschap zat in Japan. Dat was heel emotioneel.’’ 

De koffer staat in een permanente tentoonstelling in het Historisch Centrum Leeuwarden. 

Ondanks dat er thuis niet over de oorlog werd gesproken, heeft die periode veel impact gehad op Otto’s familie. Ook de broer van zijn moeder, eveneens KNIL-militair, moest bij de Birma-spoorlijn dwangarbeid verrichten. Zowel de broer van zijn vader als die van zijn moeder hebben de oorlog niet overleefd. 

Karel en Marie von Ende foto: Otto von Ende

Limoenfabriek
Bovendien maakte Otto vorig jaar samen met zijn zoon een reis naar Indonesië om hun roots te ontdekken. ‘‘Ik vond het belangrijk om aan de tweede en derde generatie te laten zien wat hun opa en oma hebben meegemaakt.’’ 

De eerste keer dat Otto Indonesië bezocht, maakte een diepe indruk op hem. Hij bezocht onder andere een oude limoenfabriek van zijn opa. ‘‘Het voelde een beetje als thuiskomen, ook al was ik er nooit geweest.’’ 

Volgens Otto heeft hij door de reis door het verleden van zijn ouders een andere kijk gekregen op de situatie. ‘‘Mijn vader was streng, maar nu begrijp ik veel beter waarom. Ik weet nu wat hij heeft meegemaakt.’’ 

Voor Otto zit het thuisland van zijn voorvaderen voor altijd in zijn hart. Hij zegt glimlachend: ‘‘Wat mij betreft wil ik elk jaar wel naar Indonesië.’’ 

 

 

Deel dit bericht