Column: De illusie van de loting
Het is zondag. De lucht is blauw, de wind houdt zich gedeisd. Ga ik op de fiets, het ritme van trappen volgend langs stille wegen? Of stap ik in de auto, richting het kaatsveld.
Normaal is die keuze eenvoudig. De vrije formatie trekt — daar waar chemie, klasse en ambitie samenkomen. Maar vandaag sluimert er twijfel. Franeker staat op het programma. Door elkaar loten bij de heren hoofdklasse. Een idee dat ooit charmant leek, maar steeds vaker wringt.
Ik noemde het eerder een gedrocht. Hard, misschien. Maar liefde voor een sport vraagt om hardheid en eerlijkheid. De verdediging is bekend: “De mindere kaatser moet ook eens kunnen winnen.” Het klinkt mooi — bijna als een sprookje waarin de underdog altijd opstaat.
En toch knaagt het
Want sport ontleent haar schoonheid juist aan verschil. Aan de spanning van de besten tegen de besten. Daar ontstaat respect, daar krijgt winnen betekenis. In andere sporten wordt dat principe bewaakt. Teams bouwen naar succes, spelers zoeken elkaar op om sterker te worden. Winnen is daar geen toeval, maar het gevolg van kunde en keuzes.
In het kaatsen lijkt het soms anders. Hier wordt de top gemengd met het midden en daaronder, alsof de sport ook een morele opdracht draagt. Alsof iedereen niet alleen moet meedoen, maar ook moet kunnen winnen. Sympathiek bedoeld — maar het schuurt.
Want als winnen losraakt van niveau, verliest het zijn waarde. Dan wordt een prijs het resultaat van een gelukkige dag of simpelweg een gunstige loting. Geen bekroning van klasse, maar van omstandigheden.
Dat voelde je de laatste jaren terug op het veld. Spelers die afhaken, en wegblijven. Organiserende verenigingen werden daardoor te kijk gezet. Maar daar is iets op uitgevonden. Spelers krijgen verplichtingen opgelegd.
Waarom houden we eraan vast? Traditie? Sympathie? Of de moeite om te erkennen dat een goed bedoeld systeem zijn grens heeft bereikt? Maar bescherm ook wat de sport groot maakt. Laat de top de top zijn. Want zonder dat contrast vervaagt de essentie.
Dus sta ik daar, op zondag. Maak ik de keuze tussen fiets en kaatsveld, tussen rust en strijd. Sport vraagt om keuzes — niet alleen van spelers, maar ook: zal ik gaan of zal ik niet gaan. Ik stap op de fiets.
Sport is geen bingoavond.



